Botke, IJnte

Boer en heer De Groninger boer 1760-1960

,

Wie aan Groningen denkt, denkt vanzelf aan de Groninger boeren en de grote rol die zij in het maatschappelijk leven spelen, schreef de socioloog Hofstee in 1937. De periode van 1800 tot 1950 is zelfs wel ‘het boerentijdperk’ van de Groninger geschiedenis genoemd.

Hoe konden de Groninger boeren zo’n succesvol en opvallend verschijnsel worden? Welk beeld hadden zij van zichzelf, en hoe werden en worden ze door anderen gezien? Deze vragen komen aan de orde in Boer en heer. Daarbij moet wel bedacht worden dat niet elke boer in Groningen een ‘Groninger boer’ was; die aanduiding had uitsluitend betrekking op landbouwers met bedrijven van ten minste 40 tot 50 hectare.
De Groninger boeren waren herenboeren — voornamelijk akkerbouwers uit de kleistreken — die op grote schaal gebruik maakten van loonarbeid en het overgrote deel van hun producten op de markt verkochten.
Zij beschikten over voldoende geld, tijd, ontwikkeling en belangstelling om lid te worden van bijvoorbeeld de kerkvoogdij, het waterschapsbestuur of de rederijkerskamer, maar ook van het plaatselijk of provinciaal bestuur en zelfs van de Eerste of Tweede Kamer.

39.50

Uitverkocht

Gorcum b.v., Koninklijke Van

2002, hardcover, 726pp, keurig exemplaar, 24.5x17cm